Burrhus Skinner external image skinner.png

Susquehanna, 20 maart 1904 – Cambridge, 18 augustus 1990. Amerikaans psycholoog, bekend om zijn theorie van het radicaal behaviorisme.

Invloeden en ontwikkeling:

Skinner werd aanvankelijk beïnvloed door de Amerikaanse psycholoog John Watson de grondlegger van het methodologisch behaviorisme (niet te verwarren met het latere radicaal behaviorisme waarvan Skinner zelf de grondlegger was). Het methodologisch behaviorisme was sterk beïnvloed door de wetenschapstheorie van het logisch positivisme dat stelt dat alleen uitspraken die geverifieerd kunnen worden door waarnemingen zinvolle uitspraken zijn, terwijl alle andere uitspraken zinloos zijn. Om gedrag te verklaren is het volgens het methodologisch behaviorisme niet zinvol een beroep te doen op inwendige psychische processen die niet door onafhankelijke waarneming kunnen worden bevestigd. Watson probeerde menselijk gedrag te verklaren met behulp van een reflexmatig leerproces, klassieke conditionering genaamd, ontdekt door de Russische fysioloog Ivan Pavlov.
In zijn invloedrijke artikel 'The Operational Analysis of Psychological Terms' (1945) nam Skinner afstand van de wetenschapstheorie van het methodologisch behaviorisme. Het is volgens Skinner legitiem in wetenschappelijke verklaringen van gedrag een beroep te doen op inwendige psychische processen, zelfs wanneer die door niet meer dan één persoon kunnen worden waargenomen (zoals dat bijvoorbeeld bij een psychisch proces als denken het geval is). Het is echter van belang dat deze waarnemingen onder invloed van de juiste omstandigheden worden uitgevoerd. Volgens Skinner dienen inwendige psychische processen beschouwd te worden als functioneel gedrag dat aan dezelfde wetmatigheden gehoorzaamt als uitwendig gedrag. Hoewel het een rol speelt in een verklaringsketen is 'inwendig gedrag' (denken, herinneren, voelen) volgens Skinner echter nooit de uiteindelijke oorzaak van ander inwendig of uitwendig gedrag. Gedrag kan immers nooit de uiteindelijke oorzaak zijn van gedrag. Alle gedrag is volgens Skinner uiteindelijk het product van de interactie tussen de geschiedenis van een organisme (waaronder behalve de individuele leergeschiedenis ook de evolutionaire geschiedenis valt) en de omstandigheden of situatie waarin het zich bevindt.

Functie-analyse:

Omdat de uiteindelijke oorzaken van gedrag altijd buiten het gedrag zelf liggen, in de context (geschiedenis en omgeving) van het organisme, wordt het behaviorisme dat Skinner ontwikkelde ook wel het contextueel behaviorisme genoemd. De basiseenheid van verklaring in de psychologie is volgens Skinner altijd 'gedrag in context'. Los van context is gedrag betekenisloos. In deze visie wordt de functie van gedrag bepaald door de context, en niet zozeer door de vorm van het gedrag: gedragingen die er hetzelfde uitzien kunnen, afhankelijk van de context, een verschillende functie vervullen, terwijl gedragingen die er verschillend uitzien, afhankelijk van de context, dezelfde functie kunnen hebben. Om gedrag goed te kunnen voorspellen en te beïnvloeden is het volgens Skinner belangrijk de functie van het gedrag te begrijpen met behulp van een zogenaamde functie-analyse. Hierbij wordt bij een bepaald gedrag gekeken naar de situatie die aan het gedrag voorafging (ook wel de antecedent genoemd), het gedrag zelf en de consequenties van het gedrag. De situatie die aan het gedrag voorafging en de consequenties vormen samen de context van het gedrag, waaruit met behulp van algemene leerprincipes de functies van het gedrag afgeleid kunnen worden. Men kan gedrag alleen beïnvloeden door relevante variabelen in de context die de functies van het gedrag in stand houden, zoals de antecedent of de consequenties van het gedrag, te identificeren en te veranderen.

Operante conditionering:
De belangrijkste bijdrage van Skinner aan de psychologie wordt gevormd door zijn onderzoek naar de operante conditionering met behulp van een door hemzelf ontworpen instrument dat hij de operante kamer noemde, maar dat algemeen bekend is geworden onder de naam de Skinner-box. Bij operante conditionering legt een organisme een verband tussen een stimulus en een respons als gevolg van de consequenties die de respons heeft (A én B als gevolg van C). Het organisme legt een verband tussen een bepaalde situatie en een bepaald gedrag als gevolg van de gunstige of ongunstige consequenties die dat gedrag in die situatie heeft. Zijn de gevolgen van het gedrag gunstig, dan neemt de kans toe dat datzelfde gedrag opnieuw wordt vertoond wanneer de omstandigheden zich herhalen. Zijn de gevolgen schadelijk, dan wordt de band tussen gegeven omstandigheden en het gedrag verzwakt. Gedrag dat wordt aangeleerd en in stand wordt gehouden door de consequenties van dat gedrag, werd door Skinner operant gedrag genoemd.
Het proces van de operante conditionering is selectionistisch in plaats van mechanisch: het gedrag en het verband tussen situatie en gedrag worden door de consequenties van het gedrag geselecteerd en bekrachtigd (versterkt) of bestraft, in de terminologie van Skinner. In dit selectionisme komt de invloed die het Amerikaans pragmatisme (met name het werk van de Amerikaanse filosofen William James en Charles Peirce en de evolutietheorie van Charles Darwin op het werk van Skinner hebben gehad tot uiting. Door zijn selectionistische uitgangspunten droeg Skinner ertoe bij dat het wetenschappelijk voorbeeld van de psychologie verschoof van de natuurkunde naar de biologie. Volgens Skinner bestaat er een parallel tussen de fylogenetische selectie van soorten en de ontogenetische selectie van het gedrag van een organisme: zoals selectie door de omgeving in de loop van miljoenen jaren soorten vormt (fylogenetische selectie) ligt selectie door de omgeving ten grondslag aan het gedragsrepertoire dat een organisme gedurende zijn leven vormt (ontogenetische selectie).

Continuïteitshypothese:

Skinner werd regelmatig reductionisme verweten omdat hij zijn onderzoeken verrichtte met dieren, zoals ratten en duiven. Toch was Skinner geen reductionist: hij vond niet dat mensen hetzelfde zijn als ratten en duiven. Ook was hij niet in het bijzonder in ratten- of duivengedrag geïnteresseerd. Skinner ging echter wel uit van de continuïteitshypothese: de hypothese dat er op evolutionaire gronden een continuïteit bestaat in het gedrag van gewervelde organismen. Vanuit deze continuïteitshypothese was zijn keuze voor dieren bij het doen van onderzoek vooral pragmatisch: het is makkelijker gedragsprincipes te ontdekken en te onderzoeken bij relatief eenvoudige organismen als ratten en duiven waarbij hij ook nog een zekere controle had over de leergeschiedenis, dan bij een uiterst ingewikkeld organisme als de mens. In dit opzicht ging Skinner uit van een inductieve 'bottom-up-benadering'. De brede en succesvolle toepassing van de leerprincipes die Skinner bij onderzoek met dieren heeft ontdekt, onder andere in de gedragstherapie en het onderwijs, wijst erop dat hij wat betreft de continuïteitshypothese uiteindelijk gelijk heeft gekregen.

Taal:
In zijn onderzoek stuitte Skinner uiteindelijk echter op een belangrijk punt waarin mensen en dieren wél fundamenteel van elkaar verschillen, namelijk in het gebruik van taal. In 1957 probeerde Skinner met zijn boek 'Verbal Behavior' deze zogenaamde taalbarrière te overwinnen door in dit boek een functionele en op operante leerprincipes gebaseerde visie op taal te ontvouwen. In 1959 schreef de linguïst Noam Chomsky een afwijzende, klassiek geworden recensie van dit boek. Skinner heeft zich nooit verwaardigd een schriftelijke repliek op deze recensie te geven met het argument dat Chomsky zijn theorie nauwelijks begrepen had. De controverse tussen Skinner en Chomsky kan in belangrijke mate gezien worden als een controverse tussen twee wetenschapsopvattingen, namelijk die van het functionalisme en het structuralisme. Een structuralistische theorie over taal, zoals die van Chomsky, houdt zich vooral bezig met de vorm van taal (bijvoorbeeld met de vraag hoe grammaticaal correcte zinnen worden gevormd) terwijl een functionele theorie over taal, zoals die van Skinner, zich vooral bezighoudt met het beantwoorden van vragen als waarvoor en onder welke omstandigheden taal gebruikt wordt.

Bronnen:

http://home.wanadoo.nl/a.heer/Beahaviorisme.htm
geraadpleegd 7 februari 2009
http://nl.wikipedia.org/wiki/Bhurrus_Skinner
geraadpleegd 7 februari 2009
http://godsdienst.dbz.be/cursus/Levensvisie/Skinner.htm
geraadpleegd 7 februari 2009
http://www.serendib.be/gievandenberrghe/artikels/vrijheid,blijheid.htm
Geraadpleegd 18 februari2009
http://www.nrcboeken.nl/recensie/bfskinner-vader-van-het-behaviorisme
geraadpleegd 18 februari 2009