Cognitivisme
Onstaan rond 1970 met als grondlegger Jean Piaget, Lev Vygotsky en Gagne.

Cognitivisme is de (leer-)psychologische stroming die volgde op het behaviorisme en redelijk wat invloed heeft gehad op het huidige onderwijs. Cognitivisme is ontstaan door de opkomst van de computer. Hierdoor realiseerde men dat informatie procesverwerking nodig had. De cognitieve theorie is geïnteresseerd in vragen zoals: hoe werkt het geheugen, hoe neemt een student informatie op, hoe verwerkt hij die, hoe houdt hij haar vast en hoe stelt hij ze weer beschikbaar. Hierbij gaat het om de opslag van informatie in het menselijke geheugen. Volgens de cognitieve theorie moet nieuwe informatie inhoudelijk aansluiten bij reeds aanwezig kennis. Leerstof die studenten niet kunnen koppelen aan reeds bestaande kennis, vindt geen referentiepunt en zal snel worden vergeten.

Het cognitivisme (jaren 70) heeft veel bijgedragen aan gebieden als het kennisverwerkingsproces, het proces van kennisintegratie en het toepassen van kennis. Ook heeft het veel kennis op het gebied van het individuele karakter van een leerproces opgeleverd. Zo ontdekten ze bijvoorbeeld: dat het niet meer nodig was om alles telkens te herhalen maar dat het zinvoller was om na een instructie direct een taak te geven. De beperking van deze theorie is dat menselijke intenties, emoties, karakters en het leren zelf te weinig aandacht krijgen.

Het cognitivisme (met oa Piaget, Vygotsky en Gagne) bestudeert hoe mensen kennis verwerven, ordenen en gebruiken in hun gedrag. Het richt zich vooral op het waarnemen en verwerken van informatie. En het heeft inzicht gegeven in de verwerkingsprocessen die in de hersenen van mensen plaats vinden.

Er zijn drie grote vertegenwoordigers van het cognitivisme. Dit zijn de Gestaltpsychologie, het zelfontdekkend leren en betekenisvol leren.

Gestaltpsychologie
Een bekend begrip in de Gestaltpsychologie is Einstellung: een oplossing voor een probleem wordt niet gevonden, gestaltung.jpgomdat de oplosser met een andere gedachte in zijn hoofd zit en niet tot ‘inzicht’ komt. Hierbij kun je denken aan iemand die een vraag niet kan beantwoorden omdat hij in zijn hoofd met andere dingen bezig is.

Een ander principe is het pregnantie-principe. Dit prinipe gaat uit van ons streven om onze waarnemingen in goede, harmonieuze of symmetrische vormen te ordenen. Afbeeldingen die niet volledig zijn, worden op grond van ons persoonlijk interpretatiekader, afgemaakt. Deze theorie gaat uit van het principe dat iemand een verschijnsel nooit kan losmaken van zijn context. Inzicht staat hierin centraal. Inzicht ontstaat niet bij stukjes en beetjes, maar plotseling en geheel.



U herkent een jonge vrouw met een ketting om en een oudere vrouw met een kromme neus.

Zelfontdekkend leren

Het uitgangspunt van zelfontdekkend leren is dat een student informatie selecteert, interpreteert en transformeert tot zodanig dat het in zijn eigen cognitieve structuur past. Het onderwijs moet daarom aansluiten bij de beginsituatie van de student en de student actief stellen om de informatie te verwerven en te verwerken. Bij zelfontdekkend leren krijgt de student eerst concreet materiaal waarmee hij kan experimenteren. Vervolgens vormt de student door middel van waarnemingen en/of grafische (visuele) voorstellingen een beeld van de werkelijkheid. Ten slotte is de student door symbolen in staat tot abstract denken en kan hij zich losmaken van de concrete werkelijkheid. Op deze manier leert de student zelfstandig denken en zelf problemen op te lossen. Daarom moet het onderwijs gericht zijn op de ontwikkeling van probleemoplossende vaardigheden.
Omdat de student zelf met de leerstof bezig is, heeft dit als voordeel dat begrippen, regels, principes en oplossingsmethoden beter worden onthouden, doordat de kennis in de cognitieve structuur ordelijk opgeslagen is in het geheugen. De kritiek is wel dat zelfontdekkend leren erop gericht is dat er vanuit gegaan wordt dat alle studenten een positieve leerattitude hebben. In de praktijk blijkt enige sturing van de docent wel noodzakelijk.


Betekenisvol leren

Wanneer er nieuwe kennis wordt verbonden aan reeds aanwezig kennis in de cognitieve structuur van de student (ankerbegrippen), is er sprake van betekenisvol leren. Kennis uit een bepaald vakgebeid/domein is altijd hiërarchisch geordend. Er zijn drie soorten ankerbegrippen:

- Onderschikkend: nieuwe informatie wordt verbonden aan een algemener begrip. (Bijvoorbeeld: aan het reeds bekende begrip ‘boom’ worden begrippen als ‘naaldboom’ en ‘loofboom’ gekoppeld.)
- Bovenschikkend: aanwezige begrippen worden voorzien van een nieuw, algemener begrip. (Bijvoorbeeld: wanneer beuk, eik en iep bekend zijn, wordt daar als bovenschikkend begrip ‘loofboom’ aan toegevoegd.)
- Nevenschikkend: een nieuw begrip wordt gekoppeld aan reeds aanwezige begrippen zonder onder- of bovenschikking. (Bijvoorbeeld: aan de reeds bekende begrippen eik, iep, beuk wordt ‘berk’ toegevoegd.)

Een andere vorm van betekenisvol leren is door te werken met schema’s, afbeeldingen, samenvattingen of een inhoudsopgave, waarmee de nieuwe lesstof door de docent in een kader geplaatst wordt wanneer het onderwijs begint.

De meerwaarde van het cognitivisme in het onderwijs van nu

Na het behaviorisme heeft het cognitivisme een accentverschuiving teweeg gebracht. Het heeft ervoor gezorgd dat er meer aandacht kwam voor het verwerkingsproces bij opslag van informatie door de hersenen. Het heeft waardevolle inzichten opgeleverd voor het onderwijs. Veel van de inzichten die deze theorie heeft gegeven bestaan nog altijd in het onderwijs. Dit geld met name voor de ankerbegrippen. Het heeft een accentverschuiving gebracht maar geen wezenlijk nieuw concept.

Voor verdere informatie over het cognitivisme kun je de volgende bronnen raadplegen:
http://www.natuurlijkleren.net/cognitivisme.php (laatste keer bekeken in februari 2009)
[[https://www2.kuleuven.be/tiki/tiki-index.php?page=Cognitivisme%3A vanaf 1930]] (laatste keer bekeken in februari 2009)
http://thesaurus.politieacademie.nl/word.php?id=4235 (laatste keer bekeken in februari 2009)

Boek: Leren (en) doceren in het hoger onderwijs, A.J. Kallenberg.