Constructivisme
Onstaan rond 1950/1960. De grondlegger is Jean Piaget.

Het constructivisme is de leerpsychologie achter natuurlijk leren. Het constructivisme gaat ervan uit dat het verwerven van kennis en vaardigheden niet zozeer het gevolg is van een directe overdracht van kennis door de docent, maar eerder het resultaat van denkactiviteiten van de studenten zelf. De studenten leren door de nieuwe informatie te verbinden aan datgene wat ze al weten. Omdat elke student allerlei eigen soorten van voorkennis betrekt bij het construeren van een nieuw kennisniveau, is het niet mogelijk voor anderen om het koppelingsproces over te nemen en iedere student leert daarbij op zijn eigen manier.
Het constructivisme vindt zijn wortels in het werk van Piaget, Bartlett, Bruner en John Dewey. Er is niet eenduidige constructivistische leertheorie. Sommige constructivisten leggen vooral de nadruk op de sociale constructie van kennis, het sociaal constructivisme, anderen vinden het sociale aspect minder belangrijk. Eén van de belangrijkste personen van het sociaal constructivisme is Lev Semyonovich Vygotsky.
Het sociaal constructivisme wordt gebruikt als een moderne leertheorie en gaat ervan uit dat mensen zelf betekenis verlenen aan hun ledialogue.jpgomgeving en dat sociale processen hierbij een prominente rol spelen. Kennis komt tot stand door interpretaties van informatie. Omdat interpretatie afhankelijk is van de voorkennis en associaties van de studenten, is deze per definitie subjectief van aard. Door de kennis te spiegelen aan de kennis van anderen, wordt deze niet alleen verrijkt, maar wordt daarbij ook meer getoetst. En een binnen een praktijkgemeenschap gedeelde opvatting, kan dan als objectieve waarheid worden ervaren.

Het constructivisme is een sterke voorstander om studenten zoveel mogelijk hun eigen leren vorm te laten geven. Het constructivisme gaat uit van de volgende definitie van leren: Leren is een constructief, cumulatief, zelfsturend, doelgericht, gesitueerd, coöperatief en individueel verschillend proces van kennisverwerving, betekenisgeving en vaardigheidsontwikkeling.
Constructief leren gaat ervan uit dat de student zelf de kennis opbouwt door interactie met de omgeving. Een student is dus geen ‘leeg vat’ waarin zomaar kennis ingestort kan worden maar de aangeboden informatie wordt geïnterpreteerd, bewerkt en geassimileerd in interactie met de reeds aanwezige kennis en vaardigheden, verwachtingen en behoeften. Wat en hoeveel een student precies leert van instructie, is dus vooral afhankelijk van wat de student tijdens het leerproces zelf precies denkt en doet. Cumulatief leren zorgt ervoor dat de student voortbouwt op en gebruikt maakt van kennis en vaardigheden waarover hij reeds beschikt. Een student benadert een leersituatie niet blanco, maar betrekt daarbij de kennis, de informele kennis en oplossingsstrategieën waarover hij al over beschikt. Het leren gaat ervan uit dat de student zelfsturend is en zijn eigen leerproces bewaakt. Het is de taak van de student dat hij de controle over het eigen leren in handen neemt en daarmee dus onafhankelijk wordt van externe sturing en regulatie. De student is zich bewust van een doel en heeft daarover verwachtingen. Het leerproces van de student vindt zich plaats in een voortdurende wisselwerking met de omgeving. Het leerproces wordt gesitueerd waarbij de directe en nauwe samenhang zich voltrekt met de sociale en materiële context.
De student leert in interactie en in coöperatie met anderen van wie hij hulp krijgt. Deze gedachte stoelt ondermeer op de theorie van Vygotsky’szone van de naaste ontwikkeling.
Het leerproces van de student voltrekt zich individueel en is verschillend. Dit komt door indirecte kenmerken (leeftijd, thuismilieu, seks), algemeen psychologische kenmerken (intelligentie, faalangst, introversie/extraversie) en directe kenmerken (aanwezige kennis en vaardigheden, cognitieve strategieën, metacognitieve kennis en vaardigheden, vakbeleving, interesses) van de student. Daardoor is het verloop en eindresultaat van leren verschillend van student tot student.

Als je uitgaat van de definitie van leren wat hierboven beschreven staat, kunnen we stellen dat studenten gebaat zijn bij een stimulerende leeromgeving. Het is de taak van de docent om een stimulerende leeromgeving voor studenten te creëren. Dit vraagt van de docent behoorlijk inzicht in de leerprocessen en de wijze waarop interventies deze leer- en denkprocessen kunnen beïnvloeden. De docent moet dus weten hoe studenten denken en leren. Voor het ontwerpen van een stimulerende leeromgeving zijn de volgende vier dimensies van belang:

Leerinhoud
Het onderwijs moet altijd gericht zijn op twee aspecten.
- het verwerven van specifieke kenniselementen en vaardigheden die deel uitmaken van een vakgebied.
- Meer algemene doelen nastreven die verband houden met de cognitieve, metacognitieve en affectieve componenten van vaardig
gedrag.

De onderwijsmethoden
De onderwijssituatie speelt een belangrijke rol in het leerproces van de student. Wil een student actief en constructief kennis en vaardigheden verwerven, dan moet de student door de docent begeleid worden met gerichte hulp en ondersteuning. Voorbeelden hiervan zijn feedbacktechnieken zoals coaching en reflectie.
Sequentie van leertaken
Er moeten zoveel mogelijk leertaken worden geordend naar hun complexiteit en diversiteit, zodat oplossingen ervan steeds meer specifieke kennis en een grotere diversiteit van (meta)cognitieve vaardigheden vergt.
Sociale context
Studenten moeten taken en problemen krijgen voorgelegd die aansluiten en representatief zijn voor de diverse contexten waarin ze hun verworven kennis en vaardigheden later zullen moeten toepassen. Dit betekent voor de docent dat deze veel aandacht moet besteden aan het realiteitsgehalte van de taken en problemen waarmee in de leeromgeving wordt gewerkt.

Voor meer informatie:
http://www.natuurlijkleren.net/constructivisme.php (laatste keer bekeken in februari 2009)
http://koll-leertheorieen.wikispaces.com/Constructivisme (laatste keer bekeken in februari 2009)

Boek: Leren (en) doceren in het hoger onderwijs, A.J. Kallenberg, ISBN: 9051894880