Jean Piaget
Neuchatel, 9 augustus 1896 - Geneve, 16 september 1980. 10piaget.jpg
Zwitsers psycholoog die de psychologische ontwikkeling van kinderen bestudeerde.

De algemene beschouwingen van Piaget.

Het ontstaan van menselijke intelligentie wordt door Piaget verklaard door middel van een interactie - theorie: de wisselwerking tussen de omgeving en een individu leidt tot aanpassing van het individu aan de omgeving. Dit verschijnsel wordt door Piaget adaptatie genoemd.
Adaptatie heeft twee aspecten:

1. Nieuwe ervaringen worden "gefilterd" door de hersenen en ingepast in de bestaande kennis- en denkstructuur. Dit proces heet assimilatie (assimileren = opnemen).
2. Nieuwe ervaringen kunnen echter ook de aanwezige kennis- en denkstructuur wijzigen. Dit proces wordt door Piaget accommodatie genoemd (accommoderen = scherpstellen (door de ooglens)).
Volgens Piaget is adaptatie mogelijk door twee natuurlijk verlopende processen:

· het streven naar het bereiken van evenwicht (equilibratie, tegenwoordig zelfregulatie genoemd) en
· het organiseren van de kennis- en denkstructuur door het aanbrengen van onderlinge verbanden en het samenvoegen tot grotere gehelen.

Assimilatie en accommodatie leiden dus, als alles goed gaat, tot een toestand van een nieuw tijdelijk evenwicht.
Het is gunstig voor het onderwijsleerproces om deze evenwichtssituatie op een positieve wijze te doorbreken. Als het kind zich bewust kan worden gemaakt van ongerijmdheden in zijn eigen denken, dan is dat bevorderlijk voor het adaptatieproces.


Ontwikkeling van de menselijke intelligentie:
Volgens Piaget wordt de ontwikkeling van de menselijke intelligentie mogelijk gemaakt door vier factoren:

1. Rijping van het centrale zenuwstelsel. De neurologische ontwikkeling is bij de geboorte nog niet voltooid.
2. Ervaringen. Vooral bij het omgaan met voorwerpen en materialen, maar ook bij het denken en praten daarover.
3. Sociale interactie. Het kennisnemen van de ideeën van anderen, waardoor bestaande evenwichtstoestanden verstoord kunnen worden omdat tegenstrijdigheden in het eigen denken aan het licht komen.
4. Equilibratie. De interne reorganisatie van bestaande mentale structuren na verstoringen van het evenwicht.




Fasen in de cognitieve ontwikkeling:

Piaget onderscheidt in de intellectuele ontwikkeling van de mens een aantal fasen.

1.Sensorimotorische fase, 0-2 jaar:

· Ontwikkeling van het functioneren op lichaamsniveau, tasten, voelen, proeven.
· Ontwikkelen van de motoriek
· Ontwikkelen van het geheugen
· Objectpermanentie is nog niet ontwikkeld, Voor het kind bestaan objecten die zich niet in zijn gezichtsveld bevinden, niet.

In het begin (tot een maand) worden vooral de reflexen aangesproken. Doordat de baby zeer weinig kennis en ervaring heeft is het vooral aangewezen op zijn gevoel en reflexen:. zuigen, knijpen, kijken en voelen. Het leert zijn reflexen al een beetje te beheersen. Hiermee worden de motorische-schema’s verder ontwikkeld en raken verschillende modaliteiten zoals ruiken, voelen, horen, proeven met elkaar verbonden. Motorische schema’s zijn geleerde bewegingen. Voorbeeld: Het kind hoort een geluid, richt zich met zijn hoofd naar het geluid en reikt naar het object dat het geluid maakte. Na een paar weken wordt het kind ondernemender. Het grijpt naar objecten ‘om te grijpen’. Het kind is meer geïnteresseerd in de bewegingen van zijn vingers of het zuigen dan het object dat gepakt is. De motorschema’s worden geoefend. In de volgende sub-fase gaat het doelgericht te handelen. Zo ziet het bijvoorbeeld een object waar het niet bij kan. Hij bedenkt hoe hij er wel bij kan komen (diverse handelingen) en bereikt het. Als zijn bedachte route wordt geblokkeerd door een kussen neer te leggen tussen de baby en het object dan zal hij het kussen eerst verwijderen om vervolgens zijn weg te vervolgen. Doel en middel komen los van elkaar te staan.
Object-permanantie: Een grote winst in deze periode is de ‘ontdekking’ dat de elementen van de wereld blijven bestaan ook al voelen, zien, horen we het niet direct. Als moeder de kamer uit loopt dan vergaat de wereld niet want: Moeder blijft bestaan! Een wonder! Je zult ongetwijfeld het verstopspelletje met een kind hebben gespeeld. Je verstopt je en dan ben je er weer, en dan verstop je je weer. Voor een kind van deze leeftijd is dat erg spannend en het leert er ook iets van. Een ander voorbeeld: Als het kind jonger dan acht maanden (hij zit in een verhoogde eet-stoel) zijn lepel laat vallen dan is het van de wereld verdwenen, weg! Maar na deze periode kijkt het onderzoekend naar beneden (en dan naar jou): Waar issie? Dit is ook een goed moment om de motorische vaardigheden wat te oefenen: Moeder pakt de lepel op en geeft het terug. Het kind gooit de lepel weer op de grond en kijkt aandachtig naar beneden. Moeder geeft het terug. Dan gooit de kleine de lepel iets je verder. Even later vliegt de lepel door de kamer (met medeneming van de inhoud van het bordje). Hoewel het humeur van moeder er onder kan lijden is het dat vanuit deze theorie een zeer goed ontwikkeling.
Egocentrisme: In het begin kan een kind nog geen onderscheid maken tussen zijn gevoelens, zijn handelingen en die van anderen. Later kan dat wel. Dit is een functie van de objectpermanentie want er is nu onderscheid gekomen tussen zichzelf en wat hij niet is: de wereld blijft bestaan ookal ervaart men het niet constant. Hierdoor leert ‘de kleine’ onderscheid te maken tussen zijn eigen gevoelens en die van anderen. Er komt een scheiding tussen zichzelf en de wereld.


2.pre -operationele fase 2-6 jaar:

· Ontwikkelen van het spreken.
· Verfijnen van de motoriek.
· Ontwikkelen van het ‘ík’, egocentrisme. Het kind leert dat het een eigen persoon is.
· Animanisme, Levenloze objecten wordt een ziel toegekend.

Egocentriciteit:
dingen alleen vanuit het eigen standpunt kunnen zien.
Piaget ontwierp een spelletje waarbij drie auto's op vaste banen rond een meer rijden. De auto's verschillen van kleur.

naamloos.JPG
De auto's worden bij A onder elkaar geplaatst. Nu wordt aan het kind gevraagd om de auto's in de juiste kleurvolgorde bij B neer te zetten als ze het halve meer hebben rondgereden, elk op hun eigen baan.
Vijf tot zesjarigen blijken dan gewoon dezelfde kleurvolgorde aan te houden dat ze vanuit hun eigen standpunt bij A waarnemen. Dat betekent dat als eerst de rode auto het dichtst bij de oever reed, deze door het kind nu het verst verwijderd van de oever wordt geplaatst (zie de figuur hierboven). Uit dit proefje blijkt dat het kind nog gebonden is aan zijn eigen ruimtelijke standpunt, het kan nog niet in gedachten een ander standpunt innemen.

Inclusierelaties:
Het kind kan nog niet overweg met groepen en subgroepen, verzamelingen en deelverzamelingen. Het kind kan nog niet inzien dat je tegelijkertijd in Sittard en in Nederland bent. Het kan bijvoorbeeld wel vertellen dat het 2 broertjes en 2 zusjes, maar weet geen antwoord op de vraag hoeveel broers en zusjes zijn zusje heeft.

Behoudsprincipes:
De behoudsprincipes worden nog niet beheerst. Als bijvoorbeeld van twee even lange rijen van 10 knopen een rij verder uiteen wordt gelegd of in een cirkel, dan noemt het kind beide aantallen niet meer even groot.

even_veel.JPG
Kinderen in het pre -operationele stadium zijn nog volledig gebonden aan de directe waarneming. Het kan wel op twee of meer voorwerpen letten, maar niet op meerdere eigenschappen van die voorwerpen tegelijkertijd. Het kind kan de via de zintuigen binnenkomende informatie nog niet voldoende ordenen en organiseren.

Kenmerken van het concreet -operationele denken.
Kort gezegd zal het kind dat de fase van het concreet -operationele denkstadium heeft bereikt geen moeite meer hebben met de hierboven beschreven tests. Uit onderzoek is vastgesteld dat niet alle behoudsprincipes tegelijk worden verworven.
Behoud van aantal en hoeveelheid stof en oppervlakte beheersen de meeste kinderen rond het 6e a 7e levensjaar. Het volledige begrip van het behoud van volume volgt pas op het ge a 10e levensjaar. Hoewel het kind van 6 of 7 jaar begrijpt dat bij het overschenken van limonade van het ene naar het andere glas de hoeveelheid niet verandert, is volgens Piaget het kind nog niet toe aan het besef dat het volume niet is veranderd.


3.Fase van concrete operaties:

· Ontwikkelen tot het kunnen vergelijken van lengte en hoeveelheid.
· Ontwikkeling tot het kunnen ordenen, tellen en rekenen.
· Ontwikkeln van het figuratieve denken.

Kenmerkend voor het volledig bereiken van het concreet -operationele stadium is het inzien van de omkeerbaarheid van de transformaties. Omdat de knopen weer teruggelegd kunnen worden, omdat de limonade weer teruggeschonken kan worden, etc. ontstaat de logische overtuiging dat er sprake is van behoud van aantal, hoeveelheid stof, etc.
Het volledige begrip van het behoud van volume wordt door Piaget tot het formeel -operationele stadium gerekend.

Een concreet denkend kind kan nog niet generaliseren: een bepaalde argumentatie wordt niet zonder meer overgedragen op overeenkomstige problemen. De redenering is dus nog gebonden aan een bepaalde concrete situatie.
Het denken in verhoudingen, proportioneel denken genoemd, is voor een zuiver concreet denkend kind nog onmogelijk. Het duurt vaak tot ver in de formele fase dat een kind overweg kan met de volgende typen problemen:
Mr. Short en Mr. Tall
short_tall.JPGWe meten de lengte van Mr. Short en Mr. Tall met paperclips. Eerst gebruik ik grote paperclips. Mr. Short is 6 grote paperclips lang en Mr. Tall is 8 grote paperclips lang. (kind kan dit eerst nameten)
Nu neem ik kleine paperclips.
Mr. Short is 8 kleine paperclips lang. (kind meet ook dit na).
Vraag: hoeveel kleine paperclips is Mr. Tall lang?
Concreet opererende kinderen zullen doorgaans "10" als antwoord geven. Ze werken met verschillen in plaats van met verhoudingen.
Het is dus niet verwonderlijk dat de begrippen druk, soortelijke massa, snelheid, versnelling, etc. erg moeilijk voor concreet denkende kinderen zijn. dat blijkt uit de formele definities van deze begrippen:
druk is kracht per oppervlakte-eenheid, soortelijke massa is massa per eenheid van volume, etc.
Het woordje "per" geeft aan dat er sprake is van verhoudingen tussen grootheden.
Letterlijk per definitie behoren dit soort begrippen dus tot het formele domein. Zoals eerder opgemerkt wordt het volledige begrip van de grootheid volume al tot het formele stadium gerekend. Het begrip soortelijke massa zal zich dus nog hoger in de begrippen -hiërarchie bevinden.

4.Fase van formele operaties 12 jaar – volwassen:

· Ontwikkeling van het ruimtelijk denken.
· Ontwikkeling van het abstract denken.
· Leren logisch te denken en consequenties te trekken.

Het belangrijkst van deze fase is het vermogen om te kunnen redeneren vanuit hypothesen. Vaar een concreet denkend kind is hypothese hetzelfde als werkelijkheid. Een formele denker is in staat om hypothese te zien als mogelijkheid. De formele denker is dus aak in staat om meerdere hypothesen op te stellen en tegen elkaar af te wegen.
Een formele denker kan ook overweg met situaties waarbij meerdere variabelen tegelijkertijd een rol spelen. In zo'n geval begrijpt de formele denker dat het nodig is om systematisch onderzoek te doen: alle parameters worden constant gehouden op een na. Om beurten worden zo alle parameters afgewerkt om tot valledig begrip van het systeemgedrag te komen.


Doorbuigen van een staaf:

De figuur hiernaast geeft het apparaat weer waarmee onderzocht wordt of de proefpersoon de variabelen kan vaststellen die van invloed zijn op het doorbuigen van een staaf. De staven zijn van verschillende lengte, dikte, doorsnede en materiaal. Bovendien worden er drie schijven van verschillend gewicht gegeven die over deze staven verschoven kunnen worden. De afstand van het inklempunt van de staaf tot het belastende gewicht is dus aak variabel.even_lang.JPG
Het apparaat wordt zonder verdere toelichting aangeboden aan de proefpersoon. De opdracht voor de proefpersoon luidt: onderzoek welke dingen van invloed zijn op het doorbuigen van een staaf. Als de proefpersoon enkele variabelen gevonden heeft vraagt de onderzoeker om een bewijs van de invloed van deze variabele.
Bijvoorbeeld: "hoe kun je me laten zien dat de doorsnede van de staaf belangrijk is?"
Het gaat er in dit concrete geval dus om dat de proefpersoon in staat is om de juiste keuze uit de staven te maken om dat aan te tonen. Er moeten dus staven worden geselecteerd van hetzelfde materiaal. De lengte van de staven mag verschillend zijn maar de proefpersoon moet een zelfde gewicht op dezelfde afstand van het inklempunt plaatsen en daarbij letten op de doorbuiging ter plaatse van de belastende kracht.

Binnen de hoofdfase van het formeel operationele denken worden door Piaget en zijn medewerkster Inhelder twee subfasen onderscheiden:


De eerste formele fase:

· het individu ziet de noodzaak van het opstellen van hypothesen
· het individu is in staat om hypothesen op te stellen omtrent een verschijnsel dat gedemonstreerd wordt
· het kunnen opstellen van hypothesen is nog beperkt tot relaties tussen twee variabelen
· het individu is in staat om oorzakelijke verbanden af te leiden, zoals bijvoorbeeld de invloed van de materiaalsoort op de hierboven gepresenteerde test in concrete situaties kan met verhoudingen worden gewerkt

De tweede formele fase:

De proefpersoon realiseert zich dat in een systeem met verschillende variabelen er op systematische wijze onderzoek moet worden gedaan: de waarde van een parameter varieert terwijl de rest constant wordt gehouden.
De proefpersoon kan algemene of abstracte relaties formuleren het individu kan werken met rechte evenredigheden en met omgekeerde evenredigheden zowel bij het waarnemen als bij het formuleren van relaties het individu kan zoeken naar een verklarend model of een gegeven model uitbreiden en /of verfijnen.

Bij het volledig bereiken van het formele denkstadium wordt het mogelijk voor het individu om te reflecteren op het eigen denken. Het betreft hier dus de mogelijkheid om te kunnen "denken over het eigen denken". Dat kan alleen als het individu in staat is om afstand te nemen van het eigen denken en daardoor weet te relativeren.

Uit een groot aantal onderzoeken is gebleken dat vaak slechts 30 tot 50 procent van een groot aantal volwassen proefpersonen een bepaald probleem door middel van formeel denken oplost. Daarbij is reeds aangegeven dat bekendheid met het terrein daarbij een belangrijke rol speelt.

Bronnen:
http://nl.wikipedia.org/wiki/Jean_Piaget
geraadpleegd 12 februari 2009
http://www.home.zonnet.nl/davidkooy/piaget.htm
geraadpleegd 12 februari 2009
http://www.earlytechnicaleducation.org/nl2/hof2p2nl.htm

geraadpleegd 6 maart 2009
http://www.fontys.nl/lerarenopleiding/sittard/nattech/didactiek/literatuur/**piaget**.doc
geraadpleegd 18 februari 2009