simons.jpg
Robert Jan Simons


Robert Jan Simons ( 1949-tot heden)

Wie is Robert-Jan Simons?

P. Robert –Jan Simons werd geboren in 1949. Hij studeerde psychologie aan de universiteit van Amsterdam en studeerde hier af in 1973.
Vervolgens promoveerde hij in 1981 aan de Katholieke Universiteit Brabant.Vanaf 1990 werd hij op de Katholieke Universiteit Nijmegen hoogleraar onderwijs- en opleidingspsychologie. Daarnaast was hij ook onderzoeksdirecteur pedagogiek en onderwijskunde.
Vanaf 2001 werkt hij als hoogleraar “ didactiek in digitale context” aan de Universiteit Utrecht. Ook heeft hij een tweetal boeken op zijn naam staan te weten, ‘leren en werken en ‘ leren en instructie’.

leren_en_instructie_simons.jpgleren_en_werken_simons.jpg






Waardoor werd hij geïnspireerd?

Simons werd enorm getrokken door het cognitivisme. Hij werd erg geïnspireerd door de Russische pschychologie en kan zich daarnaast erg vinden in een leermethode van de psycholoog Carel van Parreren.
De methode inzichtbevorderend leren wordt door Simons als 1 van de beste leermethodes gezien. Deze methode vormt de basis voor het nieuw leren.

Binnen de leerpsychologie geven velen, zoalsBoekaerts en Simons, aan dat de mens eerste graag leert door te observeren. Wanneer het geobserveerde ons aanspreekt gaan we het zelf ook proberen: experimenteren.

Een ander onderdeel is het praktijkgericht leren. Er is veel terugkoppeling naar de praktijk. Het is de bedoeling dat de leerlingen hun pas geleerde theorie meteen toepast in de praktijk. Hierdoor zouden ze de kennis beter kunnen begrijpen en onthouden
.

Hoe kenmerkt zich het nieuwe leren zich?


Het nieuwe leren kenmerkt zich door de zelfreflectie van de leerlingen. Dit doen ze met behulp van een aantal vragen. Daarbij worden ze gestuurd door een docent.



Veel gestelde vragen over het nieuwe leren aan Robert Jan Simons:


Door Jozef J. M. Kok[1]

1.
Wat houdt het nieuwe leren in?
Het nieuwe leren bestaat niet. Niet het leren van kinderen of volwassenen is nieuw; wel zijn onze ideeën en opvattingen over hoe leren plaatsvindt de laatste jaren in een stroomversnelling gekomen. Met alle gevolgen voor het inrichten van onderwijs.

2. Wie heeft dat bedacht?
Deze nieuwe opvattingen over hoe mensen leren en zich ontwikkelen kan niet aan één persoon worden toegeschreven. Het vloeit voort uit ontwikkelingen in verschillende wetenschapsdisciplines en uit allerlei maatschappelijke ontwikkelingen. Uit onder andere de neurobiologie en de leerpsychologie komt naar voren dat leren een individueel èn een sociaal proces is, dat het mede bepaald wordt door de specifieke context waarin het plaatsvindt en dat het beter gaat als de lerende zelf zicht heeft op het eigen leerproces en dat kan reguleren.

3. Wat is het verband tussen constructivistisch leren en het nieuwe leren?
Het sociaalconstructivisme is een wetenschappelijke stroming die er van uit gaat dat ieder mens een eigen werkelijkheid construeert door te reflecteren op ervaringen. Dat leidt tot mentale modellen waarmee we betekenis geven aan onze ervaringen. Leren is het aanpassen van mentale modellen aan nieuwe ervaringen en/of het begrijpen van die ervaringen binnen de bestaande mentale modellen.

4. Wat is er fout aan de ‘oude theorieën’ zoals behaviorisme en positivisme?
Ze zijn niet zozeer ‘fout’ als wel beperkt in hun verklaringsmogelijkheden. Ze beperken zich tot vormen van leren die tot direct observeerbaar gedrag leiden. En hebben daarmee bijvoorbeeld geen verklaring voor vormen van leren als patroonherkenning en taalontwikkeling, zonder dat er van conditionering sprake is of voor transfer van leerervaringen naar nieuwe situaties.

5. Wat heeft het nieuwe leren te maken met de informatiemaatschappij?
Het nieuwe leren wil mensen beter voorbereiden op de informatiemaatschappij. Door het leren betekenisvoller, authentieker, socialer en meer zelfsturend te maken. Het binnen- en buitenschoolse leren wordt met elkaar verbonden en de vragen en behoeften van de lerenden vormen het uitgangspunt.

6. Is het nieuwe leren hetzelfde als natuurlijk leren?
Er zijn onder het kopje ‘Het nieuwe leren’ veel initiatieven die met verschillende naamgevingen vergelijkbare vernieuwingen in de organisatie van het leren en het onderwijs beogen. ‘Natuurlijk leren’ is net als ‘Duurzaam leren’ er daar één van.
Het hoort bij de fase van ontwikkeling waarin Het nieuwe leren zit, dat er nog niet al te veel conceptuele scherpte is. Variëteit in vormgevingen , kleinschalige experimenten en een professionele discours daarover zullen die scherpte geleidelijk aan gaan opleveren.


7. Wat is de relatie tussen nieuw leren en competentieleren?
Met competentieleren wordt bedoeld dat de lerende gericht is op het verwerven van met elkaar samenhangende kennis, vaardigheden en houdingen die betekenisvol zijn voor bijvoorbeeld het uitoefenen van een beroep. Dat impliceert inderdaad een aantal kenmerken van Het nieuwe leren: betekenisvol, authentieke situaties, activerend, aansluitend bij reeds aanwezige competenties, op toepassing gericht en in een zinvolle sociale en culturele context.

8. Is alles aan het nieuwe leren anders of zitten er in de traditionele manier van onderwijs ook al goede dingen?
In het traditionele onderwijs zitten goede dingen die zeker niet verloren moeten gaan. De Traditionele Vernieuwingscholen , zoals Jenaplan, Montessori, Dalton, Freinet en VrijeScholen , hebben zelfs al lang veel praktijken die ook in Het nieuwe leren terugkomen. Maar dat geldt ook voor scholen die met hun tijd zijn meegegaan en het leren van leerlingen als uitgangspunt van hun ontwerp nemen. Het tegenover elkaar plaatsen van ‘oude’ en ‘nieuwe’ leren is weinig vruchtbaar. Ook hier is het ‘onderzoekt alles en behoudt het goede’.

9. Bestaat er zoiets als ‘constructivistisch uitleggen’? Hoe gaat dat dan?
Uitleg werkt beter als er om wordt gevraagd, als het aansluit op reeds aanwezige voorkennis of als leerlingen elkaar iets uitleggen. Uitleggen, informeren, verhalen vertellen, et cetera blijven ook bij Het nieuwe leren van belang, alleen zal er meer gelet worden op de vraag van leerlingen en op het gegeven dat iedere leerling eigen manieren van leren en snappen heeft.

10. Het nieuwe leren gaat uit van de leerling. Betekent dit dat de leerling helemaal uitmaakt wat en hoe hij/zij leert?
Leren doen leerlingen zelf; of niet. En ze doen dit op hun eigen manier. Maar ze doen dit als regel ook in interactie met een omgeving die al dan niet uitdagend en uitnodigend voor hen is. Wat en hoe leerlingen leren wordt mede bepaald door die leeromgeving. Bij Het nieuwe leren is het niet de bedoeling dat een éénzijdig aanbodgestuurd onderwijsarrangement wordt vervangen door een eenzijdig vraaggestuurd arrangement. Het gaat om dialoog en afstemming.

11. Het nieuwe leren wordt ook wel ‘vraag-gestuurd’ leren genoemd, maar is een leerling wel in staat voldoende vragen te formuleren?
Leerlingen zijn als regel tot meer in staat dan we denken. Hun aangeboren nieuwsgierigheid vraagt wel om een uitdagende en activerende leeromgeving. Daar hoort bij dat ze leren reflecteren op hun eigen vragen en de wijze waarop ze die beantwoordt willen krijgen.

12. Moeten leerlingen soms niet toch gewoon ouderwets iets bestuderen of van buiten leren?
Dat moet soms en gaat beter als ze de zin, lol of betekenis ervan inzien. Bij het vinden en selecteren van bronnen kan enige sturing beslist nuttig zijn. Het is dus niet het een of het ander.

13. In het nieuwe leren werken leerling veel met opdrachten en moeten ze zelf informatie opzoeken en weergeven. Veel van onze leerlingen lezen en schrijven slecht. Kunnen die deze vorm van onderwijs wel aan?
Instrumentele vaardigheden als lezen en schrijven worden beter verworven als de zin en functionaliteit ervan wordt ervaren. Als die motivatie er is dan lijkt het aanleren van deze procedurele en sterk cursorische vaardigheden gebaat bij gerichte training en feedback. Bij Het nieuwe leren worden kinderen niet over één kam geschoren.

14. In het nieuwe leren moeten leerlingen zelfstandig werken; onze vmbo-leerlingen en vooral de lwoo-leerlingen kunnen dat niet, die moeten echt direct gestimuleerd worden.
Er is niets mis met stimuleren, als het maar niet zo ‘direct’ gebeurt dat het wordt ervaren als ‘opleggen’. Zoek waar de motivatie en de talenten (wel) liggen en biedt uitdagingen die binnen het bereik van deze leerlingen liggen, zodat er positieve leerervaringen worden opgebouwd. Diezelfde leerlingen blijken immers buiten ‘schoolse’ kaders wel tot heel veel in staat.

15. Wij zijn net overgegaan op een systeem met ervaringsgericht leren. Moeten we nu weer veranderen?
Er moet niks. Ervaringsgericht onderwijs hoort tot de familie van Het nieuwe leren. Als u merkt dat dat werkt: houden zo. Hèt ultieme criterium voor verandering is gelegen in de observatie dat het niet goed gaat met het welbevinden en de betrokkenheid op leren van kinderen. Als kinderen afhaken stemt dat tot professioneel zelfonderzoek.

16. Is er wel leermateriaal genoeg beschikbaar? Moeten we niet veel zelf gaan maken? Daar hebben we toch geen tijd voor?
Er is veel materiaal, alleen niet altijd nog binnen het bereik van leerlingen. De variëteit ervan moet worden vergroot. Liever van 5 methoden elk 5 boekjes, dan van één methode 25 boekjes. En leraren zullen inderdaad meer ontwerpers en begeleiders moeten worden dan uitvoerders van methoden die van boven en van buiten zijn bedacht. Tegelijk zullen leraren meer van elkaars expertise, producten en ervaringen gaan profiteren.

17. In hoeverre past het werken met werkpleksimulaties binnen het nieuwe leren?
Dat past er helemaal in.

18. In de nieuwe tweede fase hebben we geprobeerd om de leerlingen meer zelfstandig te laten werken. Dat is bij ons op school totaal mislukt. Hoe moet dat dan met het nieuwe leren dat veel verder gaat?
Ga eerst eens na waarom dat is mislukt en zoek daarbij vooral naar oorzaken die binnen je eigen bereik liggen. Leren van mislukkingen past binnen Het nieuwe leren. En benut bij dat onderzoek de leerling als bron.

19.
Hoe ziet een opdracht eruit die binnen het nieuwe leren past?
Vraag het de leerling of collega’s op scholen die er al mee bezig zijn.

20. Hoe ziet een schoolrooster eruit van een school die volgens het nieuwe leren opereert?
Ga eens op bezoek bij scholen die daar al mee bezig zijn. En vraag niet alleen naar het resultaat, maar ook naar het proces waarlangs ze tot een nieuwe organisatie zijn gekomen. Als regel zie je minder arbeidsdeling (uren, vakken, lokalen, jaargroepen) en meer blokken, periodes, teamteaching en projecten.

21. Welke eisen stelt het nieuwe leren aan docenten?
Die eisen staan mooi beschreven in de bekwaamheidseisen voor leraren, zie: http://www.lerarenweb.nl/ . Maar waarschijnlijk komt het accent steeds meer te liggen op aspecten als de leraar als onderzoeker, ontwerper, coach, teamspeler, assessor, et cetera. In ieder geval veronderstelt Het nieuwe leren dat ook leraren blijven leren.

22. Waar leren ze dat?
Een beetje in de opleiding, veel van elkaar en het meeste van zichzelf als ze er mee beginnen.

23. Hoe ziet het personeelsbestand van een school voor nieuw leren eruit?
Meer variëteit in functies en taken; minder arbeidsdeling langs de lijn van de vakdisciplines; meer ruimte voor gastdocenten en ervaringsdeskundigen. Maar vooral gemotiveerd en beroepsbekwaam. En het management is vooral bezig met de kwaliteit van het primaire proces: het leren van de leerlingen.

24. Hoe ziet de werkomgeving van een leerling eruit?
Zie voor beelden hiervan op websites van scholen van het netwerk Nieuw Onderwijs. Als regel meer atelier en werkplaats dan lokaal; niet alleen binnenschools, maar ook buitenschools. Voorzien van een variëteit aan leerbronnen: domeinexperts, documentatiecentrum, internet, kennisnet, bedrijven, ouders, et cetera.

25. Hoe ziet een schoolgebouw voor nieuw leren eruit?
Zie voor beelden hiervan op websites van scholen van het netwerk Nieuw Onderwijs. Een nieuwe gebouw is niet persé een noodzaak, maar het helpt wel als de deuren van de lokalen (en soms ook de muren) open gaan.

26. Is er in zo’n nieuwe school nog plaats voor een mediatheek?
Een mediatheek is ‘n belangrijke leerbron. In toenemende mate zal die worden aangevuld met de mogelijkheden van internet, kennisnet, et cetera.Voor meer info verwijs ik U naar de volgende bron:http://www.qprimair.nl/ventura/engine.php?Cmd=seepicture&P_site=345&P_self=1434&Random=21431417



Tegensprekers/critici

“Er zijn veel tegenspraken voor het nieuwe leren. Op de website van SienceGuide zijn de 6 grootste misverstanden aan het licht gebracht:

- Professor Van der Werf uit Groningen zou hebben aangetoond dat nieuw leren minder effectief is dan oud leren.
- Er zou geen evidentie zijn voor de kwaliteit van het nieuwe leren.
- Nieuw leren zou de oorzaak zijn van de achteruitgang in de kwaliteit van het onderwijs.
- Nieuw leren zou afzien van toetsing.
- Nieuw leren zou een vorm van leren zijn waarbij leerlingen volledig zelf bepalen wat ze willen leren.
- Bij nieuw leren zou kennis onbelangrijk zijn.”


Voor het totaal overzicht van de tegenspraken en verdediging kunt op het onder staande link/bron klikken.
http://www.scienceguide.nl/article.asp?articleid=102908
lees ook de uiteenzetting van Piet van der Ploeg:






Bronnen:
http://leerpsychologie.wikispaces.com/Robert+Jan+Simons
http://www.scienceguide.nl/article.asp?articled=102908
http://www.qprimair.nl/ventura/engine.php?Cmd=seepicture&P_site=345&P_self=1434&Random=21431417
http://home.tiscali.nl/robertjansimons/publicaties/Medisch.doc

www.fsw.leidenuniv.nl/pedagogiek/onderwijsstudies/boekaerts.jsp - 8k
Bronnen geraadpleegd op 26 februari

[1] Drs Jozef J. M. Kok MCM is senior adviseur van KPC Groep en Lector aan de Fontys Hogescholen met als leeropdracht ‘Het nieuwe leren en nieuwe leerarrangementen’.