Het_onderwijs_van_nu_(2).jpeg

Onderwijs door de eeuwen heen
tijd_balk.jpg

Geschiedenis van het onderwijs


750 na Chr.
Rond 750 na Chr. is één van de eerste scholen van Nederland opgericht door een missionaris uit Engeland. Met als doel jongens opleiden die konden helpen bij het missiewerk, het christelijke geloof prediken in Europa. Het was een kloosterschool, naar het voorbeeld van de Engelse kloosterscholen.

karel_de_grote%20plaatje%202.jpg
Karel de Grote
In 789 na Chr. voerde Karel de Grote een aantal onderwijswetten in. Alle jongens moesten in een kloosterschool leren lezen, schrijven, bidden en zingen. De nadruk lag op het leren van de Latijnse taal. Hij zag de school als een middel om de bevolking te christianiseren. Waarschijnlijk hebben niet veel jongens gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. Zij moesten hun ouders thuis of op het land helpen.
Jongens die voor de kloosterschool kozen, maakte deze keuze voor de rest van hun leven. De leerlingen werden monnik of priester. De leraar was dat al. Door de maatschappelijke ontwikkelingen, zoals de groeiende handel en opkomst van de steden, werd in de twaalfde eeuw een klein aantal burgerjongens opgeleid voor beter opgeleide banen, zoals het plaatselijke bestuur. Doordat er burgerjongens werden toegelaten in de opleiding wilden de kloosterscholen hun religieuze karakter versterken. Zodat het geloof gepredikt werd. Op een kloosterschool leerden de jongens lezen, schrijven, zingen en wiskundevakken. De nadruk lag op de Latijnse taal. De burgerjongens kregen les in een simpel gebouw aan de rand van het kloostercomplex. In de middeleeuwen was het onderwijs een kerkelijke aangelegenheid. Dit blijkt onder andere uit de bijbelse schilderingen op de muren van de scholen. Verder moesten de schoolkinderen zich aan de regels houden anders werden ze hardhandig gestraft (slaan met de stok of roede), in de bijbel wordt dit toegestaan. Wat de leerlingen leerden hing veelal af van wat de leraar kon en wist. Dus het niveau per school verschilde.


14e eeuw

In de 14de eeuw ontstond de parochieschool, naast de al bestaande kloosterscholen waar de pastoor lesgaf. De school bleef zo in handen van de kerk.
Later ontstonden er parochiescholen die door de gemeente betaald werden en waar een meester les kwam geven. Vanuit die parochiescholen ontstonden dorpsscholen
dropsschool1.jpg
Dorpsschool
, stadscholen en bijscholen. De bijscholen waren voor jonge kinderen (ook meisjes) en het lagere niveau. In de zeventiende eeuw konden alle kinderen naar school. Maar niet iedereen ging naar school. De bijscholen pasten hun lessen aan op de vraag vanuit het volk. De ene school legde daardoor de nadruk op lezen en schrijven van de moedertaal en op rekenen. Latijn mocht niet gegeven worden op de bijscholen.
Begin 15de eeuw begon de strijd tussen het katholieke en protestantse geloof. Uiteindelijk werd het katholieke geloof in scholen verboden en de kinderen moesten de calvinistische leer bijgebracht worden. In 1618 en 1619 kwamen er officiële regels. De katholieke monniken, nonnen, pastoors en schoolmeesters mochten geen les meer geven op de scholen. Het protestantisme werd onderwezen en katholieke leerboeken werden verboden.


16e, 17e en 18e eeuw

In de 16de, 17de en 18de eeuw waren de scholen niet goed georganiseerd. De scholen waren geen apart gebouwde gebouwen, maar net wat er beschikbaar was, zoals een koude schuur of een keuken. De ruimtes hadden veelal geen verlichting of verwarming en het was er vies. Muizen en ratten liepen er vaak vrij rond. Een open vuur verwarmde de ruimte en als de schoorsteen niet goed werkte dan zaten de kinderen in de rook. Veel kinderen werden ziek op school.
Alle leeftijdsgroepen zaten bij elkaar. Elke kind kreeg van de meester een opdracht. Twee keer per dag keek de meester de opdracht na of de leerling werd overhoord. Daarna kreeg de leerling wat aanwijzingen en een nieuwe opdracht. Dat heet hoofdelijk onderwijs. De nadruk lag op zelfstandig leren. De oudere kinderen helpen de jongere kinderen. Elk kind leerde in zijn eigen tempo. De kinderen leerden waarvoor de ouders betaalden. Rekenen was erg duur. Als kinderen niet naar school gingen hoefden ouders niet te betalen. De meesters waren veelal niet goed opgeleid, sommigen konden zelf niet lezen of schrijven. De meester ontving alleen loon van de kinderen die naar school kwamen. In de oogsttijd waren dat er vaak weinig. De meesters mochten de kinderen straffen met de roe of stok. Andere manieren om te straffen waren het ezelsbord voor de domme leerling, welke hij in de klas moest dragen, en het zware schandbord. Het schandbord werd gebruikt als straf bij liegen, plagen, stelen of onbeleefd zijn en moest in het dorp gedragen worden.

Eind 18e - begin 19e eeuw
Eind 18de en begin 19de eeuw veranderde het onderwijs, onder invloed van de verlichtingsidealen. De school kreeg een andere functie. Door goed onderwijs zal een kind zich ontwikkelen tot een brave en christelijke burger, die in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien (bestrijding van armoede en criminaliteit). Zo ontstonden de scholen voor armen. Het onderwijs moest helpen bij de ontwikkeling van het kind. De nadruk kwam te liggen op begrip en inzicht in de lesstof, dus niet de lesstof alleen maar memoriseren. Onder invloed van onder andere Comenius en Rousseau ontstonden er nieuwe ideeën over de opvoeding van kinderen. De kinderen werden als kind benaderd en niet als kleine volwassenen. Deze vernieuwingen vinden we nog steeds terug in het onderwijs van vandaag.
Begin 1800 werden de vakken lezen, schrijven, rekenen en Nederlands taal verplicht. Alles dat met het geloof te maken had, werd nu de verantwoording van de kerk zelf. De boeken die gebruikt werden hadden allen wel een duidelijke protestantse achtergrond.
In 1848 kwam er een wet die zei dat er voor iedereen toegankelijke en welingerichte (frisse lucht en licht) openbare scholen moesten zijn. Daarnaast was er de vrijheid om bijzondere scholen op te richten.
Er werden schoolgebouwen gebouwd die licht waren en frisse lucht hadden. Daarnaast ontstonden er klassen en ontstond ook de mogelijkheid van het blijven zitten. Er kwamen opleidingen om meester te kunnen worden. Er kwamen beter leermethodes, zoals het leren rekenen met behulp van een telraam of het leren lezen volgens de klankmethode.
Lijfstraffen werd verboden in plaats daarvan kwam de nadruk op belonen te liggen.


1857

In 1857 kwam er een wet met als doel kwaliteitsverbetering van het onderwijs. De vakken geschiedenis, kennis der natuur, meetkunde en muziek werden verplicht, naast lezen, schrijven, rekenen en de Nederlandse taal. Onderwijzers kregen recht op een pensioen en het minimumsalaris lag vast.
Ondanks dat er voor de kinderen veel voorzieningen/wetten om te kunnen leren werden gerealiseerd, gingen niet alle kinderen naar school. Er waren ook kinderen die hun ouders thuis of op het land moesten helpen. Tijdens de industrialisatie (vanaf 1860) werkten de kinderen in fabrieken en werd de kinderarbeid een probleem. Het werk was zwaar en de werktijden waren lang. De kinderen zagen veelal geen daglicht meer. In 1874 kwam er een wet dat arbeid in de fabrieken voor kinderen tot 12 jaar verbood. Er was geen goede controle op die wet en de kinderarbeid bleef bestaan.

Eind 19e - 20e eeuw
Vanaf deze tijd gaan de inzichten over onderwijs in een stroomversnelling. Verschillende filosofen en psychologen hebben onderzoek gedaan naar het gedrag en de cognitieve ontwikkeling van de mens. Belangrijke onderzoekers hierin zijn geweest: Ivan Pavlov, Jean Piaget, Lev Vygotsky en Burrhus Skinner. Hun onderzoeken en theorieen vormen nog steeds de basisprincipes van het huidige onderwijs.
Ivan Pavlov heeft uitgebreid onderzoek gedaan, door middel van dierenexperimenten, naar het leren van mensen. Ivan Pavlov kwam er achter dat de fysiologische of aangeboren reflex vervangen kon worden door een geconditioneerde reflex. Met deze ontdekkingen werd Pavlov de grondlegger van het behaviorisme.
Jean Piaget is de grondlegger van het construcitvisme. Jean Piaget deed veel onderzoek naar de menselijke intelligentie en daarmee liet hij het behaviorisme achter zich en begon een nieuwe leerstroming die ons veel geleerd heeft over het verwerven van kennis en vaardigheden. Wat grote veranderingen teweeg heeft gebracht in de visie op leren.
Tevens zijn belangrijke denkers over leertheorieen: Van Parreren, Stevens, Galperin en Simons. Ze hebben/hadden allen een eigen visie op leren. Van Parreren, Stevens en Galperin werden allen geïnspireerd door Vygotsky.
Simons sluit zich aan bij van Parreren. Met name het inzicht bevorderende leren wat door van Parreren al was geïntroduceerd, spreekt hem zeer aan.

Van Parreren is de grondlegger van het ontwikkelend onderwijs. Stevens is de denker van het nieuwe leren en Galperin heeft de theoretische uitgangspunten over de ontwikkeling van intelligentie verder uitgewerkt van Vygotsky.

Leerplichtwet
In 1901 werd de leerplichtwet ingevoerd. Kinderen van 7 tot en met 12 jaar waren verplicht om naar school te gaan. Op deze manier werd geprobeerd de kinderarbeid tegen te gaan. Alle kinderen leerden lezen en schrijven. Er waren uitzonderingen, zoals tijdens de aardappeloogst mochten de kinderen op het land werken en hoefden niet naar school (de latere zes weken zomervakantie). Maar het aantal kinderen die om die reden verzuimden werd steeds minder.
Er kwamen nieuwe leermethoden die beter aansloten bij de belevingswereld van het kind. Het aanschouwingsonderwijs. Bijvoorbeeld de leesmethode ‘Aap-Noot-Mies’ van M.B. Hoogeveen en allerlei schoolplaten. Bij deze vorm van leren werd er een beroep gedaan op het waarnemings- en denkvermogen van de leerling. Naar aanleiding van een voorwerp uit de directe omgeving stelde de leraar vragen die de leerlingen moesten beantwoorden. Hiervoor werden schoolplaten ontwikkeld. Het schoolkind leerde goed kijken naar iets, leerden allerlei zaken op te noemen en het kreeg kennis over verschillende voorwerpen. Met deze basiskennis kon de leerling later nieuwe kennis aanleren.
Op school moesten de leerlingen zich aan veel regels houden. Bijvoorbeeld rechtop zitten met armen over elkaar, 2 aan 2 naar binnen en naar buiten gaan, schone nagels en handen, twee vingers opsteken als je naar toilet wilde en als laatste voorbeeld alleen luisteren en niet praten. De klassen bestonden uit 40-50 leerlingen en er werd klassikaal lesgegeven. Als alle leerlingen de lesstof hadden verwerkt dan ging men naar de volgende klas. Daardoor konden kinderen ‘blijven zitten’.
De lokalen kregen allen een kolenkacheltje en een houten schoolbord. Lokalen waren veelal 4 meter hoog met hoge ramen aan de linkerkant van het lokaal (omdat de leerlingen met rechts schreven) verder was er gasverlichting aanwezig. De houten vloeren werden eenmaal per week schoongemaakt.
Tegenwoordig wordt er nog steeds gebruik gemaakt van aanschouwelijk onderwijs/materiaal bij de vakken aardrijkskunde, geschiedenis en natuuronderwijs. Uitstapjes, schoolwandelingen en schoolreisjes horen hier ook bij.


leesplankplaatje7,_aap_noot_mies.jpg
Aap-Noot-Mies"- leesplankje


schoolplaten.jpg
Schoolplaat


De wet van financiële gelijkschakeling – 1920
In 1920 kwam er een wet van financiële gelijkschakeling. De katholiek, protestants-christelijke en de openbare scholen ontvingen dezelfde subsidies. Het standenonderwijs werd verboden. Maar in de praktijk bleven de ‘volksscholen’ (gericht op maximaal de U.L.O.) en de ‘opleidingsscholen’ (gericht op HBS en het gymnasium) bestaan tot in de jaren 50 en 60.
Ook werd het bijzonder onderwijs erkend en gesubsidieerd. Zij kregen het onderwijs in kleine klassen op een aangepast lager tempo. Deze scholen waren voor de moeilijk opvoedbare, zwakzinnige, dove en blinde kinderen.
Er kwam centrale verwarming en er kwamen verschillende maten banken (voor twee kinderen), afgestemd op de lengte van de leerling. De houten vloeren werden vervangen door marmoleum. De leraar kreeg een hoge lessenaar, ter bevestiging van zijn autoriteit. Een nieuw leermiddel werd de radio, er kwamen schoolradioprogramma’s. Het houten schoolbord bleef. Net als de platen, bijvoorbeeld een plaat van een provincie, waarbij de leerlingen tegelijk de plaatsen opdreunen. Een nieuw vak werd verkeersonderwijs vanwege de sterk stijgende ongevallen met kinderen.
Als gevolg van de financiële gelijkschakeling werden er nieuwe scholen opgericht door onderwijsvernieuwers. Rudolf Steiner bijvoorbeeld zette in 1923 de vrije school op.

Onderwijsvernieuwers uit het verleden.
Vanaf het moment dat psychologen zijn gaan nadenken over het opvoeden van kinderen zijn er grote namen van mensen bekend die er uitsprongen vanwege hun vernieuwende denkbeelden en ideeën die bijzonder waren. Sommige pedagogen hebben het zo ver gebracht dat ze speciale schooltypen hebben ontworpen. Wat zij gemeen hebben is dat zij het onderwijs vorm gingen geven rondom het individuele kind in plaats van het kind naar het onderwijs te vormen. Op deze scholen staat niet een specifieke geloofsleer centraal maar is het meer de pedagogische opvatting die bepalend is voor hoe het onderwijs vormgegeven wordt.
Deze scholen, ook wel zogenaamde ‘methodescholen’ genoemd, worden gekenmerkt door de keuze voor een bepaalde pedagogie, danwel hun eigen maatschappij- en mensbeeld wat als fundament voor de onderwijsvormgeving wordt gebruikt. ‘Methodeschool’ is een overkoepelend begrip, scholen verschillen onderling van elkaar. Niet bij alle uitwerkingen kun je spreken van 'een methode'. Het zijn geen wereldvreemde scholen maar de meeste zijn levensscholen die vanuit het fundament van leren ‘samen te leven’ en ‘samen te werken’ onderwijzen. Gevoelens, behoeften en ervaringen van het kind staan centraal. ‘Dat wat kinderen boeit’ is de kernvraag in het onderwijs. Kinderen leren vanuit interesse en problemen die zij tegenkomen. Een sterke interactie tussen leerstof, realiteitsbeleving en ervaring van het kind wordt nagestreefd. Communicatie en interactie tussen leerlingen onderling en leerkracht is hierbij van groot belang. De invloeden van onderstaande onderwijsvernieuwers zijn in het huidige onderwijs nog steeds terug te vinden. Scholen opereren vaak nog onder de naam van hun grondleggers, en hun oorspronkelijke ideeen worden, met aanpassingen naar de huidige onderwijskundige inzichten,in het onderwijs uitgedragen. Deze vormen van onderwijs zijn deels uitgewerkt voor kinderen van 2 jaar tot 18 jaar.

Voorbeelden van 'methode'scholen zijn:
Montessori scholen , grondlegger Maria Montessori
Vrije scholen, grondlegger Rudolf Steiner
Dalton scholen, grondlegger Helen Parkhurst
Freinet scholen, grondlegger Celestin Freinet
Jenaplan scholen, grondlegger Peter Petersen
Het zaakonderwijs, grondlegger Jan Ligthart

Bijzonder onderwijs
In 1950 ging het bijzonder onderwijs zich specialiseren. In de MLK-school (moeilijk lerende kinderen), de ZMLK-school (zeer moeilijk lerende kinderen) en de LOM-school (kinderen met opvoedings- en leerproblemen). Later was er weer kritiek op de scheiding van deze scholen met het reguliere onderwijs. Waardoor de scholen fuseerden tot SBO (speciaal basis onderwijs) en deze scholen werkten samen met het reguliere onderwijs.


1960 Democratisering van het lager onderwijs?

Vooroorlogse denkbeelden kregen invloed op het onderwijs. Er was te weinig aandacht voor het individuele kind en de kinderen moesten te veel luisteren en waren zelf niet actief met de stof bezig. Een kind moet in zijn eigen tempo de natuurlijke persoonlijkheid ontwikkelen. De creatieve vermogens van de leerling en de mate van samenwerken van de leerling werden belangrijk. Ieder kind moest, ongeacht rang, stand of huidskleur de kans krijgen zich in zin eigen tempo en op zijn eigen specifieke wijze te ontplooien. Met als doel het beste in een kind boven halen en goed voor te bereiden op het vervolgonderwijs en beroep. Dus niet meer het klassensysteem van ‘blijven zitten’ en ‘overgaan’. Het klassikale lesgeven werd vervangen door het lesgeven in niveaugroepen.
De leerlingen zaten niet langer alleen of met z’n tweeën naast elkaar, maar de tafels stonden in groepjes. De scholen zelf hadden veel ramen en er was een centrale hal voor activiteiten of gymnastiek. Omdat de ontwikkeling van het kind centraal staat kwam er meer aandacht voor de expressievakken, zoals muziek, toneel, vrij tekenen, schilderen en knutselen. De schoolradio en –televisie waren de technische hulpmiddelen.


Jaren 70
In de jaren 70 moet het behaviorisme plaats maken voor het cognitivisme.De cognitieve psychologie is de wetenschap die bestudeert hoe mensen kennis opdoen en verwerken, organiseren, bewaren en vanuit die kennis bepaalde keuzes maken. Piaget, Vygotsky en Gagne zijn de grondleggers van het cognitivisme.

Jaren 80
1984 nieuwe Wet Basisonderwijs.
De kleuterschool en de lagere school werden samengevoegd in de nieuwe basisschool.

1986 de mammoetwet.
De wet had als doel het realiseren van een goede overgang tussen het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs.
De ontwikkeling op het gebied van technische hulpmiddelen gaat steeds verder. Scholen hebben computers (met internet), beamers, cd-speler, DVD-speler en maken gebruik van digitale/video camera’s.

Jaren 90


Het Nederlands (basis)onderwijs
De scholen mogen in Nederland zelf de wijze van lesgeven bepalen, mits ze voldoen aan bepaalde, door de regering gestelde, eisen. In Nederland zijn twee soorten basisscholen. De openbare school en de bijzondere scholen. De openbare school werkt niet vanuit een bepaalde godsdienst of levensovertuiging. De meeste bijzondere scholen zijn rooms-katholiek of protestants-christelijk. Andere voorbeelden van scholen die uitgaan van een levensbeschouwing zijn joodse, islamitische en vrije scholen. Als laatste voorbeeld van bijzondere scholen zijn de scholen die uitgaan van een bepaald opvoedings- en/of onderwijsmethode. Voorbeelden van die laatste groep zijn Montessori, Jenaplan, Dalton, en Freinetscholen. Andere voorbeelden van bijzonder onderwijs zijn Iederwijs, Rijdende schoolen de Openluchtschool.

Daarnaast zijn er ook scholen voor speciaal onderwijs. Deze zijn ingedeeld in vier groepen.

1. Visueel gehandicapten
2. Auditief/communicatief gehandicapten
3. Verstandelijk en/of lichamelijk gehandicapten
4. Gedrags- en/of ernstige leerproblemen.


Het ontstaan van Iederwijs
Eind jaren 90 waren onder andere Eefke Eijgenstein en Bas Rosenbrand als leerkrachten uit het reguliere onderwijs op zoek naar het vormgeven van een school waarin de behoeften van de kinderen gevolgd konden worden. Zij hadden als inspiratiebron de school ‘Tresore’ die in Loenen was opgericht. Dit was een particuliere school voor in vrijheid leren.
Ze liepen er in hun werk in het onderwijs tegenaan dat ze kinderen niet konden bieden wat ze graag zouden willen. Vier jaar lang onderzochten zij samen met anderen hoe ze het wel zouden willen zien. Zij vertaalden dit in een eigen concept: Iederwijs.
In februari 2002 werd het werkelijkheid en was Iederwijs begonnen. De media zorgde ervoor dat mensen belangstelling kregen in Iederwijs om een dergelijke school op te richten.
Er werd begonnen met het oprichten van scholen in onder andere Soest, Limmen en Groningen, waarna er steeds meer scholen volgenden. Wonderwijs (een al bestaande school met dergelijke visie) sloot zich aan bij het netwerk.
In mei 2003 werd een landelijk symposium gehouden waar landelijke brochures, websites en boeken werden uitgegeven. De belangstelling was groot. Door de enorm snelle groei van nieuwe Iederwijsscholen kon er niet genoeg ondersteuning geboden worden aan alle Iederwijsscholen. Een aantal stopten hierdoor omdat ze niet konden waar maken wat ze voor ogen hadden.
Naar aanleiding hiervan werd Stichting Iederwijs Nederland in februari 2004 opgericht om coördinatie en contacten met de overheid te verzorgen.
Iederwijs is nu uitgegroeid tot een organisatie van zo’n twaalf goed draaiende Iederwijsscholen die met elkaar samenwerken.

Geschiedenis VMBO
Voorloper van het VMBO zijn de ambachtsschool, huishoudschool, de ULO (uitgebreid lager onderwijs), de MULO (Meer uitgebreid Lager Onderwijs) of de MMS (Middelbaar MeisjesSchool). Na de mammoetwet van 1968 werden deze scholen vervangen door het LBO (Lager BeroepsOnderwijs) en de mavo/havo/vwo-structuur. De mammoetwet had als doel dat alle leerlingen een algemene en een beroepsopleiding moeten krijgen. De opleiding moest zoveel mogelijk aansluiten bij de aanleg en belangstelling van de leerling. Alle scholen kregen een brugperiode, een brugklas, met horizontale en verticale doorstroommogelijkheden. Het nadeel van de mammoetwet was dat het LBO niet goed aansloot op de arbeidsmarkt en het MBO. In 1999 werden daarom de mavo en het LBO samengevoegd tot het huidige VMBO.

Huidige onderwijs
Er zijn veel vernieuwingen in het onderwijs, zoals natuurlijk leren, probleemgestuurd onderwijs, iederwijs, en competentiegericht onderwijs. geldt als een van de grondleggers van ontwikkelend onderwijs. De kern van deze vernieuwingen is dat “ieder mens (kind) de leerweg vindt die het meest natuurlijk aansluit bij zijn/haar mogelijkheden en talenten.” De basis van deze gedachte van het nieuwe leren is terug te vinden in het sociaal constructivisme.

Sinds de jaren 90 is er steeds meer aandacht voor het nieuwe leren waarbij de competentieontwikkeling centraal staat. Opleidingen en bedrijven gingen actief samenwerken. Vanuit de arbeidsmarkt kwam ook de eis dat werknemers flexibel moesten zijn en dat het noodzakelijk was om een leven lang te blijven leren (kennis veroudert snel).

Voor deze ontwikkeling/vernieuwing stond het Klassikaal-Methodisch onderwijs centraal. Eén docent geeft het onderwijs, deze docent brengt via methodes de leerstof over. De basis van het Klassikaal-Methodisch onderwijs is met name het behaviorisme.

Door alle mogelijkheden van leren via de media is het connectivisme ontstaan. Het is een relatief nieuwe stroming en is ontstaan omdat alle andere stromingen niet toereikend waren aan de mens van deze tijd. Tegenwoordig maakt het onderwijs veel gebruik van internet, televisie en informatie van over de gehele wereld. De manier van leren veranderd en veel word elektronisch gedaan. Het connectivisme gaat ervan uit dat de student niet alles meer hoeft te weten en op te slaan. De nadruk wordt gelegd op dat de student weet waar hij/zij de benodigde informatie kan vinden en hij/zij moet gemakkelijk toegang tot deze informatie hebben. Met andere woorden wordt het ‘weten’ steeds meer veranderd in ‘verbonden zijn’. De grondlegger van het connectivisme is George Siemens.


Bronnen:
http://www.kw1c.nl/340/oa/geschiedenis-ond.doc
Geraadpleegd 24-02-2009


Elke van Druten, Michelle Jolmers, Ineke Peters en Mendy van de Pavert/ PABO. Geschiedenis van het onderwijs.

http://www.iselinge.nl/scholenplein/pabolessen/0405d2aonderwijs/index.html
Geraadpleegd 24-02-2009

Anneke van Dijk. (8 maart 2005). Vroeger was alles beter.
http://oudersvo.kennisnet.nl/themas/vmbo/geschiedenisvmbo
Geraadpleegd 24-02-2009